Kerkelijke Provincie Keulen

De Kerkelijke Provincie Keulen
 
IndexPortaleFAQZoekenRegistrerenGebruikerslijstGebruikersgroepenInloggen

Deel | 
 

 Boek der Deugden 3. De Eclips

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down 
AuteurBericht
Elequest
Aartsbisschop
avatar

Aantal berichten : 1191
Leeftijd : 48
Localisation : Leiden
Registration date : 27-07-08

BerichtOnderwerp: Boek der Deugden 3. De Eclips   zo maa 06, 2016 4:53 pm

De Eclips

Deel I: De Maan

De geschiedenis die ik je zal vertellen kan heel verbazend lijken, maar, wanneer je het leest, zul je weten dat er veel waarheid in schuilt.
Op een dag, toen het mooi weer was, liep ik met mijn hond langs smalle paden tussen de velden. Ik had net gegeven en zocht voor mijzelf een klein, aangenaam plekje waar ik een dutje kon doen. Op deze mei middag, was de hemel helderblauw en er was geen wolkje te bekennen. De vogels zongen en mijn hond rende door het graan, jagend op kleine dieren die veel sneller waren dan hij. Hij blafte machtig en blij, ook al had hij bij voorbaat de wedstrijd verloren.
Het leek een schitterende dag, maar de aanwezigheid van de maan in de hemel op klaarlichte dag baarde me zorgen. Terwijl de zon de plaats was die was bestemd voor de deugdzamen na hun oordeel, was de maan de toekomstige plaats van kwellingen voor de zondenaren. Het eerste werd het Paradijs genoemd, terwijl het tweede bekend stond als de Hel. Het samenbrengen van deze twee heldere sterren op klaarlichte dag kon enkel de voorbode zijn van grote onheil.
Ik boog mijzelf om een kleine bloem in de weiden te bewonderen, maar de plotselinge duisternis was zodanig dat ik het niet kon zien. De duisternis, vroeg ik mezelf af? Hoe kon er duisternis zijn op zo’n prachtige dag terwijl de zon hoog aan de hemel stond? Ik sloeg mijn ogen op naar de hemel en werd gegrepen door een verschrikking: de maan maskeerde de zon nu, hinderde het heilige licht, de bron van leven, om de wereld te bereiken. Slechts een kleine halo met de kleur van vuur, die de ster van de nacht omringde, getuigde van de aanwezigheid van de ster van de dag.
Mijn stopte met blaffen. Ik vertelde mezelf, daarbij pogend om mezelf gerust te stellen, dat het slechts een van die regelmatige kosmische gebeurtenissen die de ouden hadden bijgehouden, en dat het snel voorbij zou zijn. Maar ik was niet overtuigd. De halo van vuur gaf deze eclips een onheilspellende atmosfeer. Maar zelfs dit verdween toen de maan zijn verovering van de zon voltooide. Het hulde de hele hemel in een inktzwarte duisternis. Zelfs de sterren gaven zich over aan deze vreemde eclips. Op dit punt in de tijd besloot de maan om de regels der fysica te breken.
In het centrum van deze schrijf van duister, dreven gekleurde puntjes, als vogels die door de lucht vlogen. Ze leken met elkaar te strijden, de een die zich met de ander vermengde en dan abrupt zich scheidden. Mauve wierp zich op blauw, wat wegduikt richting turkoois, het groene vluchtte naar het rood, wat zelf het geel aanviel. Toen hielden de kleuren op met hun dans. Ik kon de drang om naar de maan erboven te kijken niet weerstaan, daar zag ik dat de kleuren zich verdeelden over de oppervlakte van de ster van de nacht, eindelijk gegroepeerd in een coherent geheel.
Zo bleef het gedurende een eeuwigheid, terwijl mijn hond huilde en zichzelf verstopte in het graanveld. Toen, vlogen de gekleurde stippen weg van de maan, zoals een bol afgevuurd door een kruisboog. Je zou zeggen dat zes kleurenregens door de lucht schoten als lange gekleurde vingers. De kleuren kwamen samen in een ware regenboog die eindigde bij mijn voeten. Ik zag voor mij een brug van kleuren, die een boog vormden over de afstand die me scheidde van de maan.
Ik keek ernaar en zag toen dat de brug van kleuren naar beneden kwam in een ware zee van wit licht. Ik keek toen naar mijn eigen voeten en zag dat met hetzelfde zachte witte melkachtige licht waren besprenkeld. De zes kleurenregens, gekoppeld over de gehele lengte van de brug, kwamen op het eind samen in de zelfde witheid.
Hoewel ik in de greep verkeerde van een onbegrijpelijk angst, besloot ik op de maanregenboog te stappen.

Deel II: De Mist

Ik liep dus over een gestreepte brug van zes kleuren met als bestemming de maan, onder een lege hemel met een inktzwarte duisternis zonder een enkele ster. De reis leek een eeuwigheid te duren. Maar, toen ik begon te wanhopen over de afstand die ik nog moest overbruggen, verloor ik mijn balans. Inderdaad, de klerenregens die de brug vormden die ik was overgestoken vermengden zich tot een enkel wit licht. De brug, zoals water, viel op de oppervlakte van de maan in een melkachtige cascade. Ik viel zielig op de grond en stond weer op, zeer getergd, en klopte het stof van mijn kleren.
Ik zag een fleste mist overal om me heen hangen. Het weer was heet en klam binnen de dichte en onadembare lucht. Ik probeerde vooruit te komen, maar mijn bewegen waren langzaam en onhandig, aangezien de mist vastgeklampt leek te zitten aan mijn lichaam. Mijn voeten zakten diep weg in de zachte en kleverige grond. Ik wenste dat de wind zou waaien om deze romige mist te verspreiden die me omhulde. Maar deze plaats gaf me de indruk sinds het begin der tijd nog geen briesje te hebben meegemaakt. Ik geloofde dat ik was opgesloten in een tombe.
Op dit punt, een gleed een lange tong langs mijn borst. Ik was verlamd door deze verschrikking, en verstijfde totaal. Ik keek om me heen, en eindelijk was ik in staat om vormen te onderscheiden. Zij waren ontelbaar en deden nog maar weinig denken aan menselijke wezens. Een van hen, van een gigantische grootte, kwam dichtbij mij, en ik kan niet in detail beschrijven hoe lelijk het was. Geheel naakt, deze demon had een naakte huid, zweette, en tussen zijn gebogen benen zag ik de tekenen van zijn mannelijkheid die werden tentoongespreid zonder enig fatsoen. Ik zag ook dat zijn borst vrouwelijke attributen droeg. Ik hoopte een menselijk gezicht te ontdekken, maar in zijn plaats was een mond gelijk aan die van een slang, met een lange tong die zich uitstrekte tot mijn linkerkant.
Het monster sprak tot mij: ‘Ik ben Asmodeus, Prins van Lust. Rapheal, Aartsengel van Overtuiging, is mijn tegenhanger. Zij die er plezier in scheppen om de zaken van het vlees te misbruiken en in de meest totale leegheid kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’ Ik wist niet wat te zeggen tegen zo’n vreselijk schepsel, maar het verwachtte geen respons en verliet mij. Op dit punt zag ik lange gang in de dichte mist. Ik begon direct in die richting te bewegen hopend te ontsnappen van de lustvolle dieren. De grond was steeds minder zompig en werd steeds zandiger. De fletse witte kleur verdween beetje bij beetje, en maakte plaats voor de een donkere turkooizen gloed.
Na het einde van onbepaalde tijd, bereikte ik een gigantische grot. Titanische pilaren ondersteunden het gewelf wat ik moeiteloos onderscheidde, door zijn enorme grote. Een meer van Homerische dimensies vulde iedere denkbare ruimte. Zijn vloeistof, waarin geen rimpeling was te bekennen, straalde een diepe turkooizen gloed uit, die alle omliggende rotsen kleurde. Geen leven leek op deze plaatsen aanwezig te zijn. Ik was niet langer verbaasd, toen tussen de rotsen die zich hadden opgestapeld rond de oever, obscure vormen begonnen op te staan. Hun bewegingen waren traag, onhandig en niet erg doelgericht.
Ze leken een bovenmenselijke moeite te moeten doen om enige beweging te kunnen uitvoeren. Ik hoorde ze allen klagen over hun decadente en amorfe staat. Ik zag nu op dit moment een turkooizen liquide vorm herijzen vanuit de oppervlakte van het meer. Een enorm wezen met schubben en de lange staart van een hagedis kwam te voorschijn uit de vloeistof. Naast de titanische kaak, fixeerden twee kleine smaragden ogen zich op mij. Het sprak tot me: ‘Ik ben Belial, Prins der Trots. Uriel, Aartsengel van de Vrijgevigheid is mijn tegenhanger. Zij die geloven dat ze buiten de gemeenschap kunnen leven, of die de status van het heilige kunnen bereiken, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’

Deel III: De Vlakte

Belial draaide zich om en dook weer onder in de turkooizen wateren, die weer teruggekeerden naar een zorgwekkend gladde oppervlakte. Ik zag toen een kleine boot op de over. Hoe kon het dat ik dit niet eerder had gezien? Ik nam de boot, toen ik zag dat geen van de amorfe wezens hiertegen protesteerde. Ik roeide urenlang, de gigantische stenen pilaren volgden elkaar op. Ik kwam steeds sneller vooruit. Maar de die dit me bracht veranderde snel in afgrijzen toen me realiseerde dat dit enkel kwam omdat ik vast zat in een draaikolk. Ik was niet in staat hieruit te ontsnappen en viel toen door de draaikolk.
Toen ik wakker werd, mijn lichaam was bont en blauw, keek ik me heen in een donkere hoek. De grond was bedekt met een zachte hete stof, wiens mauve kleur zeer veel leek op de amethisten muren. Ik besloot om dit vreemde pad te volgen. Langs mijn weg, zag ik gigantische hopen goud, zilver en juwelen langs de muren. Een verleidelijke geur van heerlijk vlees vulde de gang. Mannen en vrouwen met prachtige lichamen paradeerden voor mij. Maar ik zag vooral de vele andere waardeloze mensen, die met hun ogen deze formidabele luxes verslonden.
Ik vroeg mij af waarom zij niet namen wat hen werd aangeboden, maar snel begon ik dit te begrijpen. Een van de verdoemden nam een gouden munt, maar snel, met een kreet van pijn, liet hij deze weer vallen. De vervloekte zielen waren veroordeelt om luxe te aanschouwen zonder ooit in staat te zijn er gebruik van te maken. Op dit punt hoorde ik het geluid van vleugels en ik zag dat zich een enorm creatuur voor mij opstelde met de grote vleugels van een vleermuis en een huid met de kleur van amethist. Het sprak tot me: ‘Ik ben Satan, Prins van Verlangens. Michael, Aartsengel van Rechtvaardigheid, is mijn tegenhanger. Zij die wensen te profiteren van geschenken die op goede gronden aan anderen zijn gegeven, of zij die afgunstig zijn op de goederen of het geluk van hun buren kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’
Dan, zonder nog iets te zeggen, verdween Satan. Ik begon aan mijn weg naar het einde van de gang, die ik eindelijk vond. De uitgang was een smalle opening bedekt met een zwarte steenlaag, waarin schedels waren uitgesneden. Ik aarzelde om binnen te gaan, maar herinnerde mij wat er achter mij lag en wilde daar zeker niet naar terugkeren. Ik ging dus door deze doorgang en stond oog in oog met een vlakte die zich uitstrekte tot in de oneindigheid. Aan de zijkanten, zag ik grote rode bergen die de vlakte omsloten.
Dit beeld kon bijna doen denken aan een aards landschap, maar de bergen en het gras hadden de kleur van bloed. De zon brandde recht boven de vlakte. Het leek de halve hemel te vullen en vast te zitten aan de maan. Het sneed door de sterrenverlichte nacht die met zijn volle gewicht op me leek te drukken. Ik zag een duizeligmakende blauwe piek in het midden van de vlakte die geheel reikte tot aan de gigantische ster van de dag. Aan zijn basis was een grote houten constructie geplaatst. Ik besloot verder te gaan, om deze stenen vinger die naar boven wees te bereiken. Maar, toen ik halverwege was, begreep ik dat ik het niet kon bereiken.
Want, rondom de blauwe piek, zich honderden mijlen uitstrekkend, vochten duizenden verdoemden als bezetenen. Ze ontbeerden zelfs het minste mededogen tegenover de ander. Ieder vond dit een goede gelegenheid om het vlees van zijn tegenstander te verscheuren. Wanneer de wapens en de vuisten niet meer genoeg waren, vochten zij met hun tanden. Dan, vanuit de gigantische veldslag, kwam een enorme stier naar me toe. Onder zijn bloeddoorlopen ogen, lekten vlammen uit zijn neusgaten. Het sprak tot me: ‘Ik ben Leviathan, Prins der Woede. Gabriel, Aartsengel van de Matiging, is mijn tegenhanger. Zij die zich hebben verloren in haat tegenover anderen, of zij die uit alle macht vechten tegen hun conditie, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.

Deel IV: De Galerijen

Leviathan stampte toen op het bebloede gras met zijn voet, en een krater opende zich in de grond. Ik zag een stenen trap die afdaalde in het duister. Ik verzamelde mijn moed en daalde de trap af, terwijl de Prinsdemon terugkeerde naar het gevecht. Ik daalde de trap voorzichtig af, want er was geen licht dat mij hielp om te zien waar ik naartoe ging en de weg leek lang. Om mezelf te helpen liet ik mijn hand langs de muur glijden, en ik kon door deze aanraking voelen dat de trap simpelweg en grof uitgehakt was in de grond zelf.
Ik beefde van angst toen mijn vingers een slijmerige iets raakten. De trap werd gehuld in een groene gloed. Ik keek naar de bron van mijn angst en zag vol walging dat er een gigantische aardworm in de muur rondkroop. Het straalde een gevoel van onwilligheid uit gelijk aan duizenden andere wezens die ook in de grond rondkropen. Er begon bij mij een beetje begrip te dagen van de werking van de maan, en ik vroeg mij af welke zonde op deze plaats werd bestraft. Ik vond mijn antwoord aan de bodem van de spiraalvormige trap, waar ik tien galerijen vond die waren uitgehakt in de grond, allen geplaagd door laaghartige, groene, kleine, beestjes.
De Verdoemde kwam omhoog, wiens kwaad zich had verspreid in hun lichamen zodat zij anderen vingen en verslonden die zich in hun bereik bevonden. Ik werd overvallen door een gevoel van misselijkheid, toen een nieuwe galerij zich opende, amper groot genoeg om de grootste van de enorme wormen te laten passeren. Het sprak tot mij: ‘Ik ben Azazel, Prins der Hebzucht. Galadrielle, Aartsengel van Behoud is mijn tegenhanger. Zij die misbruik maken van de genoegens van de eerste behoeften, zij die geen grenzen kennen voor de hoeveelheid die zij nodig hebben voor hun voortbestaan, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’
Toen voegde het toe: ‘Volg mij’. Het ging terug en groef zich een weg door de galerij. Ik volgde het voor vele mijlen, en het veranderde vaak van richting. De tunnel leidde uiteindelijk naar een grote houtopslag. Ik begreep dat het aan de voet lag van de stenen piek. Azazel, die wachtte nabij de uitgang, begon een nieuwe tunnel te graven. Ik keek rond en zag een soort heuvel. Eromheen lag een gat dat bodemloos leek.
Maar er was wel een bodem ergens daar beneden, ver daarvan kwam een veelheid aan ruwe en scherpe houten staken omhoog tot bijna het niveau waarop ik stond. De Verdoemden werden erboven geplaatst. Zelfs rechtop, moesten zij zich zwaar inspannen om niet te vallen. Maar het vreemdste was dat ze elk in hun armen een schat hielden onvergelijkbaar in waarde en schoonheid. Zij klampten de zware kistjes met goud, grote zakken met onschatbare edelstenen, vast alsof hun leven ervan afhing.
Soms, zorgde een beweging die niet helemaal goed werd uitgevoerd ervoor dat wat van de schat val. Zij die de fout maakten om te proberen hun schat te vangen vielen zonder uitzondering. A vale gele gloed vanaf het gat getuigde van de ontelbare schatten die waren gevallen, en vervloekten degenen die boven het gat stonden, van wie geen ook maar het kleinste deel van de schat wilde verliezen. Sommigen stonden er zonder twijfel al geruime tijd, aangezien hun benen hun spieren begonnen te verliezen. Maar ze dachten niet in het minst aan ontsnappen, vrezend dat dit ertoe zou leiden dat hun goud in het gat zou vallen.
Toen zag ik dat er vanaf het plafond dat er aan een draadje, een gigantische spin van goud, met diamanten ogen afdaalde. Het liet zich vlak naast met zakken, en sprak tot me: ‘Ik ben Beelzebub, Prins der Inhaligheid, Georgie, Aartsengel van Vriendschap, is mijn tegenhanger. Zij wiens zelfzuchtigheid enkel wordt overtroffen door hun minachting voor anderen, kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden.’ Daarna, zonder nog iets te zeggen, weefde de Demonprins een brug, en verbond daarmee een klein eilandje met de hoek van de houtopslagplaats.

Deel V: De Piek

Aan het einde van de geweven brug was een kleine houten deur. Ik deed de klink naar beneden, maar het ging niet open. Ik worstelde er even mee, voor het eindelijk meewerkte. Het leek een eeuwigheid geleden sinds het voor het laatst was gebruikt. Toen de deur open was, stond ik voor een blauwe, stenen massa. Ik liep erdoor en sloeg mijn ogen op. De piek die ik een tijd geleden zag wees naar de zon, die, vanaf waar ik stond, de hele hemel vulde.
Ik wilde niet eeuwig in de Hel blijven, en beklom dus de rotsige piek. Ik was vele uren aan het klimmen, me optrekkend aan ieder uitsteeksel, en kwam slechts zeer langzaam vooruit vanwege de moeilijke omstandigheden. Ik was niet de enige die deze vreselijke klim probeerde. Vele mensen werden net als ik gekweld door deze moeilijke test. Ze schreeuwen het uit geconfronteerd met deze bovenmenselijke taak, en aantal gaf de moed op.
Zij vonden geen kracht meer om verder te gaan probeerden naar beneden te gaan. Maar het was zelfs nog moeilijker om die kant op te gaan dan naar de top van de blauwe piek. Allen die het opgaven eindigden zo dat ze hun grip verloren en vielen om verpletterd te worden aan de voet van de piek met een vreselijk geluid. Iedere val leek de wil van de overlevenden te verzwakken, maar ik verzamelde mijn moed en zette door. Na een tijde, was ik de enige die worstelde met de klim.
Toen ik zelf dacht dat ik aan het einde van mijn latijn was, en mijn spieren schreeuwden dat ik moest stoppen, zag ik een inham niet ver van mij. Opgetogen door deze onverwachte ontdekken, bewoog ik er snel naar toe. Toen ik arriveerde in deze veilige haven, besloot ik eindelijk naar beneden te kijken, om te zien hoe hoog ik had geklommen. Ik zag de hele maan beneden met mijn ogen, onder blauwe rook vergelijkbaar met wolken. Geen berg op Aarde kon zo hoog zijn! Ik was blij met het resultaat van mijn inspanningen, maar herinnerde mij ook dat er nog een grote afstand was tot de top.
Ik had me laten op de richel om wat te rusten, toen ik iemand hoorde huilen. Ik draaide mijn hoofd en zag een oude man met een grote baard, doordenkt met zijn eigen hete tranen. Zijn lichaam zo droog dat het wel een skelet leek. Het sprak tot me ‘Ik ben Lucifer, Prins van Apathie. Selaphiel, Aartsengel van Plezier, is mijn tegenhanger. Zij die zich overgeven aan spirituele depressie, die passief blijven, die geen vreugde meer scheppen in het leven, en die zich niet meer bewust zijn van hun eigen tevredenheid kom en voeg je bij de rijen van mijn verdoemden, die niet in staat zijn de zon te bereiken.
Achter hem zag ik een grot. Het vertelde me dat er ik heen moest gaan, zonder een woord te zeggen. Een lange geplaveide gang liep in de richting van een metalen deur, met een vreemde vlam in het midden. Ik zocht naar een klink, maar vond er geen. Na lang proberen, liep ik me zakken tegen de deur, uitgeput. Ik hoorde een klein geluidje zoals een bel en de deur opende zich, spleet in tweeën, en de twee helften van deur verzonken in de muur. Zeer verbaasd, keek ik naar binnen en zag een perfecte spiegel, waarin ik zoals gebruikelijk mijn spiegelbeeld zag.
Ik ging naar binnen in de kleine ruimte met de spiegel. Ik hoorde een stem tegen me praten in kalme en rustgevende tonen: ‘Ga je naar boven?’ Ik was geschrokken, verstomd door zo’n vreemde vraag en zag dat een lachende persoon wachtte op het antwoord. We waren samen in kleine ruimte waar hooguit een half dozijn mensen in zou passen. Het was goed verlicht, hoewel het witte licht, dat van het plafon kwam een beetje saai leek. Ik antwoordde, het enige wat ik kon bedenken: ‘Ja’. Daarna legde de persoon zijn vinger op een vierkant waarop de woorden stonden geschreven ‘laatste fase’. De deur sloot zich weer, beide helften voegden zich samen, en ik voelde een beweging alsof ik omhoog ging.

Deel VI: De Zon

Toen de kleine kamer, waar ik was samen met de onbekende persoon, omhoog ging, kreeg ik het onaangename gevoel dat ik zwaarder was dan eerst. Maar toen het stopte, voelde ik een extreem licht moment. Maar, ik was niet groter of kleiner geworden gedurende deze te tijd. De deur splitste zich weer in twee delen, net als eerst. De onbekende draaide zich naar me toe en sprak weer tot me: ‘Je bent gearriveerd’. Het glimlachte vriendelijk en zachtaardig. Dit gaf me nieuwe moed en ik durfde eindelijk te vragen: ‘Wie ben jij?’
Het antwoordde mij: ‘Ik ben de grenswachter, de enige engel die de eeuwigheid verwijderd is van het paradijs. Het is mijn taak om je tot hier te brengen, degenen die nog geen keus hebben gemaakt’. ‘Welke keus?’ vroeg ik verward. Maar, zonder mij te antwoorden, glimlachte het en gebaarde me om door te lopen. Ik besefte me dat ik niet meer informatie van hem zou krijgen, en liep door. Toen ik vertrok sloot de deur zich weer achter mij, de twee delen van de deur kwamen bij elkaar, en ik hoorde de kamer weer zakken.
Ik verwachtte een ideaal landschap te vinden, maar, in plaats daarvan, zag ik de gehate blauwe steen waaruit de infernale piek bestond. Er was een soort terras in uigehakt. I vroeg me af hoe ik verder moest gaan uit wat ik zag als een vervloekte val. Inderdaad, ik had de top bereikt en liep nu geen gevaar meer om naar beneden te vallen. Ik zag een vreemde deur, maar wist niet hoe deze te openen. Ik liet mezelf zakken, huilend, en vroeg mezelf af welke vreselijke zonde ik had begaan om zo bestraft te worden.
Korte tijd later hoorde ik het slaan van vleugels. Ik sloeg mijn ogen op en zag een schitterend spektakel: zeven engelen kwamen aan op het terras. Ik herkende Aartsengel Michael, patroon heilige van Rechtvaardigheid, in volle wapenrustig met een prachtig zwaard in zijn hand en in de andere een groot schild met wonderschone ornamenten. Maar mijn theoretische kennis was beperkt en ik vroeg, beschaamd, wie exact voor mij verschenen. Ik verwachtte afkeuring, maar dit was niet het geval. Ze keken me allemaal zachtaardig en vol liefde aan.
Een van hen kwam naar voren en sprak tot me: ‘Ik ben George, Aartsengel van Vriendschap. De anderen zijn Gabriel, Aartsengel van Matiging, Michael, Aartsengel van Rechtvaardigheid, Uriel Aartsengel van Vrijgevigheid, Galadrielle, Aartsengel van Behoud, Selaphiel, Aartsengel van Plezier en Rapheal, Aartsengel van Overtuiging. Wij zeven, onder opdracht van de Profeet, Aristoteles, en de Messias, Christos, hebben tot taak om de mensen te leiden naar het pad van de deugd, wat hen leidt naar God en zijn Paradijs.
Ik stond tegenover zeven wezens, de meest belangrijke mensen die geboren waren in de geschiedenis, met uitzondering van Aristoteles en Christos. Met zo’n voorrecht kon ik niet anders dan knielen, met mijn gezicht naar de grond. Maar George sprak tot me: Buig niet voor ons: uiteindelijk zijn wij slechts mensen. Enkel God verdient dat eerbetoon. Wij zijn Zijn nederige dienaren, enkel belangrijk voor bewerkstelligen van Zijn heilige wil. Kom met ons, want het uur nadert snel dat je een keuze moet maken. Wij zijn hier om je naar de zon te brengen.

Deel VII: Het Paradijs

De zeven aartsengelen stonden oog in oog met mij. Ze lachten met hun glimlach vol vriendelijkheid, ik keek in hun ogen, hun blik vol tederheid. Voor het eerst sinds ik mijn hond alleen in het veld had achtergelaten, ontspande ik en stond ik mezelf toe om deel te worden van de sereniteit die zij uitstraalden. Zij hielpen mij opstaan en Michael, de meest robuuste, hees me op zijn rug. Ik schaamde me een beetje bij het idee een Aartsengel te berijden zoals een paard. Maar zij lachten, toen de schaamde op mijn gezicht zagen. Een lach, niet spottend, maar vol van vriendschap.
Toen sloegen er zeven paar schitterende vleugels uit. Ze naderden de rand en lieten zich hiervan afvallen. Ik schreeuwde in angst, maar mijn schreeuw werd afgesneden toen de Aartsengelen hun vlucht bijstelden en naar de zon vlogen. Ik kon de gehele maan onder mij zien en ik beloofde mezelf, als die kans aan mij gegeven werd, dat ik altijd zou leven in deugd, volgens de principes van Aristoteles en Christos, om naar te hoeven terugkeren naar die vreselijke plek. Galadrielle glimlachte nog eens naar me en sprak: ‘Het is goed. Je hebt de juiste beslissing genomen. Moge de andere levenden dezelfde maken’
Ik vroeg me af hoe zij kon weten wat ik dacht. Maar mijn gedachten hierover verdwenen snel, omdat ik zeer geïnteresseerd was in het spektakel wat me werd aangeboden. We hadden net de maan verlaten en we vlogen in de ruimte die het scheidt van de zon. Ik kon de sterren nu zien en zij glansden als vele magische spektakels. Ik kon zelfs sterren onderscheiden van wiens bestaan ik niet had geweten, niet in staat om deze te zien vanaf de wereld. De immense zon, die ik nog nooit van zo dichtbij had gezien, nam mijn hele gezichtsveld in beslag. Ik voelde mij als in vlieg in vergelijking met een koe: klein.
We waren nu zo dichtbij de heilige ster dat, vlammen die verschillende mijlen lang waren, ons bijna raakten. Ik vroeg me of ik met de zeven Aartsengelen niet een vrij desastreus einde zou delen. Maar Michael, op wie ik altijd kon bouwen, zei tot mij: ‘Vrees niet dat wat je hier ziet’. Ik zag toen de vlammen die de zon bedekten, zij vormden een geweldig spektakel. Onder deze buitenste laag van vlammen was dat waarover ik mij voornam te spreken sinds mijn tedere kindertijd, maar zonder ooit te weten waaruit het bestond: Paradijs!
We landen op een magische plaats. We baden allen in een zacht licht. Waar ik ook keek ik kon niet het minste duister ontdekken. Zo ver het oog kon zien, waren er geen huizen, noch de minste constructie van enige soort. Zij die hanger hadden plukten van de fruit bomen. Zij die de genoegens van de ontspanning waardeerden rekten zich uit in het gras. Kinderen speelden onschuldig, lachend, rennend door het lange gras. De zeven Aartsengelen vertelde me dat ze me hier moesten achterlaten en dat hun missie was vervuld. Ik bedankte en hen hartelijk en zei ze gedag.
Ik besloot wat rond te lopen en deze betoverde plaats te bekijken. Allen die ik ontmoette, heten mij hartelijk welkom en lachten naar me. Ik lachte terug en bedankten hen. Alles straalde blijdschap, vriendelijkheid en plezier uit. Toen ik een kleine fontein naderde waarvan het water zo helder was dat ik geen weerstand kon bieden aan de drang om me hier verfrissen, zag ik twee mannen in een diepe discussie. Zij zagen mij ook en wenkten mij om hen te naderen. Ik realiseerde me dat tegenover mij niemand minder stonden dan Aristoteles en Christos. Zij omringden mij met de grootste vriendelijkheid. Ze vroegen mij of ik het naar mijn zin had en of ik goede reis had gehad. Ik was zo bewogen dat ik niet kon antwoorden. Ik stamelde een paar vage woorden, terwijl ik probeerde te bevatten wie er tegenover me stonden. Op dit moment hoorde ik een stem.

Deel VIII: De Wederopstanding

De stem die ik hoorde, toen ik in het gezelschap was van Aristoteles en Christos, was kalm en doordringend. Zij legden mij uit dat God Zelf het was die mij de noodzakelijke vraag ging stellen. Ik begreep uiteindelijk dat dit het moment was. De heilige stem vroeg mij: ‘Jij, de mens die luistert naar de naam Sypous, jij kwam naar Mij, ontdekte alles dat een mens zal weten na zijn dood. Jij bezocht ieder van de zeven Hellen, waar je iedere Prins-Demon ontmoette. Dit alles werd je getoond in overeenstemming met Mijn wil. Wat leerde jij op je reis?’
Ik antwoordde: ‘Ik begreep de inrichting van de Hellen. Wanneer mensen in deugd leven, zijnde conform uw Heilige woord, overgebracht door de Profeet, Aristoteles, en de Messias, Christos, dan krijgen zij van U het recht om deze plaats te bereiken, Uw Paradijs, de Zon. Als hij zich heeft afgewend zich afwend van de deugd, weigert te luisteren naar uw Heilige woord, zichzelf overgeeft aan aardse genoegens, zelfzuchtigheid, verleiding, valse heiligen, dan brengt Uw oneindige wijsheid U ertoe hem te zenden naar de Hel, de Maan, om daar gestraft te worden in alle Eeuwigheid. U houdt van ons, maar het is ook nodig dat wij van U houden.
God sprak tot mij: ‘Nu komt de tijd dat je een keus moet maken. Je kunt besluiten de dood te accepteren. In dat geval oordeel ik over je leven, de momenten dat je leefde volgens de deugden en de momenten dat je je ervan afwende. Als ik dan oordeel dat je het verdient, dan zul je een eeuwigheid van vreugde en blijdschap mogen meemaken. Maar als ik oordeel dat je leven niet zo deugdzaam was, dan zul je een eeuwigheid aan kwelling moeten doormaken in de Hel. Of, als je denkt dat je tijd nog niet gekomen is, dat je leven nog niet betrouwbaar genoeg is om door Mij te worden goedgekeurd, dan kun je besluiten terug te keren naar het leven.
Ik kon niet antwoorden. Had ik het Paradijs verdiend of zij eindigen in de Hel. Toen hoorde ik stemmen. Zij waren van mijn vrienden, die baden voor de veiligheid van mijn hart. Hoewel ze op de Aarde waren, hoorde ik ze duidelijk. Dit maakte me warm van binnen toen ik merkte dat ze zo bezorgd waren om wat er met mij ging gebeuren. Ik moest ze laten zien dat hun gebeden niet voor niets waren. Ik besloot wederopstanding te aanvaarden, om te leven in deugd en het Paradijs te verdienen. Ik was hen dat schuldig, tenminste zoveel als ik dat mezelf schuldig was.
God sprak toen tot mij: ‘Sinds ik heb besloten om de zielen van de mensen te veranderen in eeuwige ziel, zul je na je dood, beoordeeld worden op de wijze waarop je hebt geleefd door Mij. Ik stel ieder van hen dezelfde vraag. Sommige hebben de voorzichtigheid die jij hebt laten zien, anderen bereiken het Paradijs, terwijl weer anderen de kwaliteit van hun leven overschatten en naar de Hel worden gezonden.
Zij die zoals, zoals jij, kiezen voor wederopstanding, herinneren zich de niet die zij hebben afgelegd na hun dood. Dus veranderd hun gedrag enkel als deze lessen gegraveerd zijn in de kern van hun wezen. Maar, zo dat allen mogen weten wat een vreselijk lot hen te wachten staat als zij afdwalen van Mijn liefde, laat ik je nu die herinneringen. Jij zult kunnen getuigen van je reis en jouw getuigenis zal blijven bestaan eeuw na eeuw. Nu dat je weet wat deze taak is die ik je heb toevertrouwd, keer terug naar je leven, tot je weer hier komt en opnieuw moet kiezen.
Toen vervaagde mijn zicht. Ik had nog net de tijd om Aristoteles en Christos nog eenmaal te zijn voordat ik mijn bewustzijn verloor. Toen ik ontwaakte, in mijn bed, kruiste ik mijn armen voor mij. Om mij heen branden kaarsen en mijn vrienden waren verzonken in oprecht gebed. In tranen, maar duidelijk opgelucht, legden zij me uit wat er was gebeurt in de negen dagen voorafgaand aan mijn dood. Ik stond op, liep naar het raam, en zag de zon de zijn licht uitstraalde over de wereld. Ik vertelde mijn vrienden van de ongelofelijke reis en besloot om alles op schrijven wat ik had gezien gedurende mijn dood.
Sypous

_________________

Bisschop in partibus van Antinoë  *** Ritter Teutoonse Orde
Terug naar boven Go down
Profiel bekijken
 
Boek der Deugden 3. De Eclips
Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
Kerkelijke Provincie Keulen :: Aartsbisdom Keulen :: De Bibliotheek :: Scriptorium-
Ga naar: