Kerkelijke Provincie Keulen

De Kerkelijke Provincie Keulen
 
IndexPortaleFAQZoekenRegistrerenGebruikerslijstGebruikersgroepenInloggen

Deel | 
 

 Boek der Deugden 1. De Schepping

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down 
AuteurBericht
Elequest
Aartsbisschop
avatar

Aantal berichten : 1200
Leeftijd : 49
Localisation : Leiden
Registration date : 27-07-08

BerichtOnderwerp: Boek der Deugden 1. De Schepping   zo maa 06, 2016 4:42 pm

De Schepping

Deel I: Het Universum

In den beginne, was er alleen God.
Er was nog geen materie, geen energie, geen beweging. Er was zelfs geen leegte, die met de dag van vandaag, de aarde en de sterren scheidde, want zelf de leegte is iets. Nee, waar Het uit bestond, was het Niets. Hier wordt niet met bedoeld dat er niets was, want als we zeggen dat er iets ontbreekt, dan weten we dat de mogelijkheid bestaat dat het er is. Het Niets is dat zelfs het idee van het bestaan er niet is. Alleen voor God.
Maar God is machtiger dan alles, zelf dan het Niets. Hij heeft geen begin noch einde. Hij is dus Oneindig en Eeuwig. Hij is het Perfecte Wezen, op wie niemand vat kan krijgen. Voor Hem is alleen een simpele gedachte nodig om iets van het Niets naar het Bestaan over te laten gaan, en een andere simpele gedachte om het weer van het Bestaan naar het Niets te laten gaan. Alles is Hem dus mogelijk en alles komt dus van Hem.
God is de Eerste Materie waarvan alles is geschapen. De materie, de energie, de bewegingen en de tijd zijn allen een element van God. Alles wat bestaat, zelfs het Niets, is een deel van Hem. Hij is eveneens de Schepper van alles. Het is Hij die maakt alles wat bestaat en die zijn vorm en inhoud geeft. Hij is uiteindelijk de Zeer-Hoge, want Hij is de reden voor alles wat bestaat, en daarbij het Niets.
Dit gezegd, God weet alles, want de wijsheid behoord bij hem, gemaakt door Hem en zijn reden gevonden in Hem. We zeggen ook dat Hij alwetend is. Daarbij, Hij is overal want, waar wij ook gaan, wij vinden ons altijd terug in Hem. Wij benoemen Hem als alomtegenwoordig. Uiteindelijk, Hij kan overal handelen, overal zijnde en alles wetende, niets kan zijn daad hinderen.
God dacht en een zeer klein stipje verscheen. Aldus, bij de schepping van dit kleine en enige kleine puntje, heeft Hij het Niets laten verdwijnen. Voortaan, zal Hij samengesteld zijn met Bestaan en leegte, maar geen Niets meer. Hij besloot dit zeer kleine stipje universum te noemen en liet het exploderen in een ontelbare hoeveelheid sterren, die de leegte kwamen bevolken. Nooit meer, zullen zij nog stoppen met schijnen in het hemelse uitspansel.
Toen schiep God de twee bewegingen: de zware dingen zullen naar beneden gaan en de lichte dingen omhoog. Hij schiep eveneens de vier elementen. De zwaarste was de aarde. Toen kwamen water, lucht en vuur. Hij zette ze in hun rangorde van de zwaarste naar de lichtste. De aarde bevond zich in het midden. Zij werd bedekt door water die zelf weer bedekt werd door lucht. En als laatst werd het geheel door het lichtste bedekt, vuur.
Deze bol van materie noemde God; Wereld. Om de bewegingen in werking te stellen, besloot Hij om de elementen door elkaar te gooien. Hij plaatste het vuur in het midden van de aarde en het water in de hemel, boven de lucht. De elementen bewogen, afwisselend door orde en verwarring. God was blij om te zien hoe Zijn schepping in beweging kwam en probeerde in een goede rangorde van zwaarte te komen.

Deel II: Het Leven

Maar God was perfect, zoals Zijn schepping niet perfect was. Maar zoals Hij overtuigd van Zichzelf was, was Zijn creatie onwetend. Maar zoals Hij zelf besliste wat Hij deed, nam Zijn schepping alleen maar over. Maar zoals Hij in staat was om te maken, nam Zijn creatie alleen maar genoegen met zichzelf. Maar zoals Hij Zijn schepping wou liefhebben en gelief hebben worden, was deze daar niet toe in staat.
God nam bijeen al de liefde die Hij in Zich had. Hij maakte daarvan de geest, die niet aangeraakt kon worden, noch zichtbaar kon zijn, noch geroken kon worden, noch geproeft kon worden, noch gehoord kon worden, want deze was anders dan de materie. De Zeer-Hoge deed de materie en de geest te samen, zodat deze laatste een harmonie met de aarde kon vormen, en Hij noemde het; leven.
Maar het leven was niet perfect. Zelfs deze gemaakt te zijn door God en uit Hem ontstaan te zijn, was deze Hem niet helemaal. Haar mogelijkheden om te kiezen waren beperkt, omdat zij niet een oneindige kennis en macht bezat. Haar mogelijkheden om te voelen, waren eveneens beperkt, want zij bestond uit materie, neutraal en onpersoonlijk. Maar God wou het leven liefhebben en dat ook terug verwachten.
Maar, zodat God en het leven elkaar konden liefhebben, was het noodzakelijk dat deze laatste zich alsmaar dichterbij de goddelijke perfectie kon begeven. Want zij was incapabel om deze te evenaren. De Zeer-Hoge, maakte dus een derde beweging: de betere dingen zouden zich een weg naar God banen. Zodus, de materie, waarvan het leven was gemaakt, was een zwaar ding, want zij ging naar onder. Maar omdat zij ook bezeten was van de geest, die een superieur iets was, deed haar naar de goddelijke perfectie toekomen.
En op de wereld, nam het leven een oneindigheid aan vormen aan, van de kleinste tot de grootste. De planten vulden zich met het licht der sterren, zo dekkend de wereld van een groene laag. De dieren liepen of vlogen door en tussen de planten. En dus, toen God onbeweeglijk leek, was het leven in volle bloei. Inderdaad, God, Zijnde eeuwig, was niet verplicht tot beweging die het er toe maakte dat het leven in beweging was. Hij leek dus onbeweegbaar. Maar Hij hield van de bewegelijkheid van het leven daar op aarde, Zijn Schepping.
Maar God had het leven niet gemaakt om een oneindige kracht te zijn en, om het leven te laten leven, moesten de dieren de planten eten, de roofdieren de prooien verslinden, en dat de kadavers van de dode dieren de planten laten groeien. Zodus, de dood was een van de karakteristieken van het leven. Maar om Zijn Creatie niet te laten uitsterven, scheidde God iedere soort in twee aanvullende principes, die Hij mannelijk en vrouwelijknoemde. Beiden waren gelijk en moesten elkaar vinden om zich te binden, en zo het leven voort te zetten.
Toen, van het leven, schiep God de tijd, waar de dood na het leven komt, en leven voor de dood. Ook, bereikte het water de lucht om later neder te vallen op de aarde en de rivieren te laten vloeien, en het vuur kwam uit de vulkanen om de aarde te voeden, die zich vermenigvuldigde en het vuur ook leven gaf. De gehele wereld was één in de beweging van het leven, toen God onbeweeglijk leek, ontsnappend aan de tegenstrijdigheden der tijd.

Deel III: De Schepselen

Een groep van deze schepsels die het leven samenstellen, besloot om de wereld te doorlopen om de andere soorten te ontdekken, zowel dierlijk als plantaardig. Ieder nam zijn zak op zijn rug en doorliep de wereld, geduwd door de ontdekkingsdorst die hem deze beslissing had laten nemen.
Zij maten dus de wereld. Zij beklommen de groene heuvels en reusachtige bergen. Zij staken ravijnen over, dronken in rivieren, rusten uit in weiden. Zij proefden alles wat mooi en zacht was en wat het leven te geven had. Aldus proefden zij aan de smaak van honing en vruchten. Zij maakten zich dronken in de geur van de bloemen. Zij bewonderden de zons opkomsten en de regenbogen.
God, in Zijn oneindige perfectie, had van het leven een wonder gemaakt, een heerlijkheid voor degenen die het konden proeven. Maar alle schepsels konden dit geschenk niet aan zijn rechtvaardige waarde beoordelen. Aldus werd de kleine groep verrast telkens als deze nieuwe soorten ontmoette. Elk van hen was van talenten voorzien die ze uniek maakten. Aldus kon de kleine groep bewonderen hoezeer God het leven van een oneindige afwisseling rijkdommen had voorzien. Elke soort was de gelegenheid voor elk van hen om de bijzonderheden ervan te bewonderen.
Aldus ontmoetten zij koeien. Deze, die kalm graasden, gaven melk aan hun jongen. Verder, kwamen zij dichtbij een bedekte vlakte met tarwe, die onder het briesje golfde, vervolgens kruisten ze op weg talrijke schapen met een zachte witte vacht, die eveneens vredig graasden. Blijvend op de wereld voortgaan, hoorden zij de vrolijke kleine stemmetjes van de vogels. De ogen naar de hemel opheffend, zagen zij ze draaien onder de zachte wit gekleurde wolken, terwijl de blauwe hemel door de zonnester belicht werd.
Zij hielden zich een moment op om smaakvolle groenten te proeven, die van vormen, geuren en smaken verschillen en wedijveren. Gedurende hun maaltijd, konden zij galopades van verschillende paarden volgen waarvan de manen in de wind vlogen. Verder, naderden zij een meer en zagen vissen spelen zonder op te houden. Niet ver van de kust wortelde een bos van reusachtige eiken waarvan de takken als een reusachtige koepel van groene bladen over de grond hing.
Verder, zagen zij een gierstveld waarvan de aren zich met zon vol stopten. Enkele varkens die zich er bevonden, waren bezig om zich ermee te voeden. Maar al deze schepsels verrasten alleen maar de kleine groep door niet enkel de afwisseling van hun natuur, maar eveneens door een verwarrende gemeenschappelijk aspect.
Immers had iedereen als punt van overeenkomst, zich te roemen als de verkozen soort van God te zijn. Hun talenten waren de reden die zij allen naar voren brachten. De koeien roemden hun talrijke nakomelingen, schapen hun wol, vogels hun vleugels, paarden hun snelheid, vissen hun bezit van de zeeën dat grootste gebied van de wereld is, de eiken hun levensduur zonder gelijke, tarwe, gierst, de vruchten en de groenten met hun gevarieerde smaken en hun geuren, varkens hun krachten...

Deel IV: De Twijfel

De kleine groep besloot om een moment te stoppen. Zij installeerden zich op een groene heuvel, waar schitterende bloemen stonden die de honingbijen melken kwamen. Een licht briesje kwam het gras buigen. De vogels zongen. De sterren kwamen de schepsels belichten terwijl zij hun zakken op de grond legden en in een kring gingen zitten. De sfeer was gemelijk, want zij stelden zich dezelfde vraag.
Alle soorten die zij hadden ontmoet was van een bijzonder talent voorzien. De koeien, de schepsels die het gras kalm graasden, hadden een talrijke familie. De schapen hadden een zachte en omvangrijke wol. De vleugels van de vogels dienden hun om de wereld te doorlopen door te vliegen. De paarden, edel en onstuimig dierlijk, galopperend met de snelheid van de bliksem. De vissen waren de meesters van de uitgebreide oceanen. De varkens waren machtig en wild.
De planten waren zelfs van enige talenten voorzien. De eiken waren van een levensduur voorzien die niets had om aan hun omvang te benijden. De tarwe vermenigvuldigde zich als deze daar zin in had, die brede gebieden bedekte. De gierst had zijn aren, die met leven worden volgestopt. De vruchten hadden een heerlijke gezoete smaak en de groenten aantrekkelijke geuren. En de kleine groep stelde zich vragen. Maar waarom had hun soort geen enkel bijzonder talent?
Weliswaar hadden de schepsels van de kleine groep handen, maar hun kracht evenaarde die van het varken niet. Weliswaar hadden zij benen, maar zij brachten ze niet zo ver als de vogels en niet zo snel als de paarden. Weliswaar konden zij verwekken, maar niet zoveel als de koeien of de tarwe. Weliswaar waren sommige behaard, maar het was een erbarmelijk weinig in vergelijking met de wol van de schapen, en het was nog minder te gebruiken.
Weliswaar waren zij vol van leven en gezondheid, maar wel minder dan de gierst, de vruchten en de groenten. En zij durfden zelfs niet zich met de levensduur en de omvang van de eiken te vergelijken. Al deze schepsels, dierlijk en plantaardig, hadden ernstige argumenten om te verzekeren, zoals zij het ook zeiden, dat zij door God werden verkozen. Hun talenten waren uniek. Toen probeerde de kleine groep zich een talent te bevinden dat eigen aan hun soort was.
Hun soort hield zich staande. Maar welk voordeel gaf dat hen? "Geen enkel", in koor antwoordden alle leden van de groep. Hun handen dienden hun om werktuigen te bouwen, maar het was om het gebrek aan klauwen of andere organen te compenseren. Aldus was hun maag zo zwak dat zij het vlees moesten koken om het te eten. En hun ogen waren zo weinig doordringend, in tegenstelling tot de katten of de uilen, dat zij zich in het donker moesten verlichten. Hun haar was te dun zodat zij zich moesten beschermen wanneer het regende, er sneeuw of hagel viel of wanneer de wind te hard blies.
Ontdekkend deze negatieve constatering, zetten de schepsels van de kleine groep zich tot huilen. Zij waren ervan overtuigd dat hun soort het minst maar dan ook het meest gewild van God was, dat Hij ze minachtte, dat zij de droesem van Zijn oprichting waren. Een stilte vestigde zich, zodat iedereen zich aankeek, zoekend in de ogen van ieder een antwoord op de talrijke vragen die zij zich stelden. Maar deze blikken hadden geen enkel antwoord. Zij waren ondergedompeld met tranen.
Maar een van hen was anders dan de groep gebleven. Hij keek naar de sterren. Alle leden van de groep verwaarloosden hem, hem beschouwend als gering van geest. Hij antwoordde hun vaak "Gelukkig de armen in geest...", maar kon slechts aan dit antwoord enkel toevoegen. Nochtans van iedereen, was het de enige die zich afvraagde wat God verlangde, in plaats van zich te bekommeren over hun lot. Deze man heette Oanyus.

Deel V: De Bijeenkomst

God keek naar de kleine groep schepselen die aan het huilen was, en was geraakt. Zij voelden zich door Hem verlaten, omdat ze niet behept waren met een uniek talent. Ze waren zelfs gaan geloven dat Hij hen haatte, terwijl hij juist van elk individueel lid van zijn schepping hield met een perfecte liefde. Zij maakten deel van Hem uit, en hen haten zou betekenen dat hij een deel van zichzelf zou haten. Hij had het universum geschapen, de wereld, en al het leven om het lief te hebben, en dat deed hij ook.
Met deze liefde, had God elke soort uitgerust met een uniek talent zodat ze allemaal hun eigen speciale plek konden vinden in Zijn schepping. Maar dit prachtige geschenk bleef onzichtbaar voor de ogen van de kleine groep. Deze mensen, waaruit de groep bestond, waren bevangen van twijfel, en bleven blind voor Zijn liefde. Hun tranen waren oprecht maar onterecht. Zij vroegen alleen om liefde van Hem, maar zagen niet dat Hij hen al reeds lief had.
De andere soorten waren reeds bewust van hun geschenk, maar begrepen de reden ervan niet. Ze dachten allemaal dat zij de enige waren die een dergelijk geschenk hadden gekregen. Sommigen dachten dat alleen kracht een geschenk van God was. Anderen maakten dezelfde fout met snelheid, hun vele nakomelingen, wol, de kunst van het vliegen, of het territorium dat door Hem aan hen was toegewezen. Ze beschouwden zichzelf als de enig bevoordeelde door Hem en geloofden dat zij de uitverkorenen waren.
Maar deze man die Oane genoemd werd, droeg de kiem in zich van het talent dat God aan de mensen had gegeven. Langzaam werd hij zich bewuster van de echte liefde die God koesterde voor zijn schepping. Hij begon te beseffen dat God hield van elk onderdeel van de schepping, maar hij wist nog niet waarom. Hij spendeerde zijn tijd met het kijken naar de sterren, in de hoop het Meest Hoge, te vinden, maar hij wist nog niets van God’s alom zijnde aanwezigheid.
Toen besloot God dat het tijd was om een echte plek te maken in het universum voor een soort die het in zich had om de liefde te begrijpen, de enige echte betekenis van het even. Hij vond dat al Zijn schepselen hun liefde voor Hem moesten bewijzen. Daarom besloot hij dat alle schepselen van de wereld moesten samenkomen op een plek waar hij ze zou vragen wat het leven was. Wat hij met ze zou doen was afhankelijk van hun antwoorden.
Met een enkele gedachte van God, wisten alle schepselen van de hele wereld van de goddelijke samenkomst. Zonder te wachten gingen zij op weg. Er was een enorme groene vlakte op een groen continent. Het was daar dat de hele wereld zou samenkomen om de goddelijke vraag te aanhoren. Het was daar dat het geloof van het universum zou worden bepaald.
Het duurde vele jaren om zoveel verschillende schepselen bij elkaar te brengen. Niet allen overleefden deze reis, maar niemand had de intentie om terug te keren. God had hen vervuld met een niet te onderdrukken verlangen om de grote samenkomst der schepselen bij te wonen. Ze staken de diepste zeeën over en de hoogste bergen, gletschers, woestijnen en zoveel andere moeilijke plaatsen. Ondanks dat leefden ze door, stierven, aten en plantten zich voort, maar nooit zonder vooruit te komen.
En uiteindelijk brak de dag aan dat alle schepselen samen waren gekomen.

Deel VI: De Vraag

Het was de grootste samenkomst van schepselen die ooit had plaatsgevonden.
Er waren wel een aantal miljard wezens die waren samengekomen op de zelfde uitgestrekte vlakte. Ze waren daar samen zonder enige vijandschap. De wolven wachten naast de schapen, de honden naast de katten, de arenden naast de muizen, en de leeuwen naast de gazelles. Zelfs de planten waren aanwezig. Eiken, Abelen, Populieren, Olijfbomen, Appelbomen, Dadelpalmen, en andere bomen vormden een enorm bos zonder weerga. De bloemen, de groentes, het fruit, het koren en de maďs waren ook aanwezig. De gigantische vlakte was een waarlijk heiligdom voor al het leven, want zij wachtten daar allen geduldig op de komst van God.
Toen donderde het, de wolken braken, en een zacht licht dat uit de ruimte kwam, verlichtte de hemel. een grote stilte viel over de samengekomen schepselen. vanuit het hemelse schijnsel hoorde men een strenge, doordringende, maar toch zachte en serene stem. De stem zei: “Luister naar mij, u allen die Ik heb geschapen, want ik ben uw God. Zonder Mij, zouden jullie niet bestaan, en aan Mij dient u trouw te zijn.”
God vervolgde: “een aantal onder jullie claimen Mijn uitverkorenen te zijn, maar nog nooit heb Ik Mijn voorkeur naar een van jullie uitgesproken boven anderen. De tijd is aangekomen dat dat gaat veranderen. De tijd is aangebroken dat Ik een keuze ga maken tussen Mijn schepselen. De tijd is aangebroken dat ik een soort ga benoemen tot Mijn kinderen. Om deze keuze te kunnen maken, zal ik jullie een vraag stellen.
God vroeg hen toen: “Jullie leven dankzij Mij, want ik ben jullie schepper. Jullie voeden jezelf, jullie planten je voort, jullie voeden jullie nakomelingen op. Maar jullie weten niet waarom jullie leven. Wat is volgens jullie, de reden dat ik aan het leven heb gegeven?”
De meerderheid van de schepselen konden niet antwoorden. Ze keken elkaar aan, in de hoop het antwoord te vinden op deze rare vraag in hun buur. Men zag een vis die gelukkig bleef, zonder te weten wat te zeggen. Een paard wreef over de grond met zijn voeten. Een eik boog, hopeloos zoekende naar het antwoord in zijn wortels. En zelfs een hond krabde op zijn hoofd in een feflex.
Maar een van hen trad naar voren. Het leek zeker van zichzelf en zijn antwoord. Al de andere soorten maakten de weg vrij voor hem en al snel ontstond er een ruimte om hem heen. Het sloeg zijn ogen op in de richting van God, maar zijn blik was vol vertrouwen. Het antwoordde: “U maakte de schepselen bewegend zodat ze zichzelf konden voeden. U maakte de sterken om de zwakken de verschuren. Zonder twijfel, is het een vraag van de dominantie van de sterkeren over de zwakkeren!”
Het vervolgde: “Mijn bewijs is dat ik de laatste van mijn soort ben. alleen de aller sterkste van ons overleefde. Als U mij Uw kind noemt, zal ik U laten zien wie, van alle schepselen, de wereld moet domineren.
Het wachtte tot dat God hem zou feliciteren met zijn antwoord, maar het was tevergeefs. Want Hij antwoordde hem niet.

Deel VII: De Liefde

God gaf geen antwoord aan het wezen dat de dominantie van de sterken over de zwakken had verdedigd.
Hij wendde zich tot een andere groep schepselen. Het was precies die groep die uit mensen bestond die de wereld hadden doorkruist. God wist dat deze groep geloofde dat zij door God werden afgewezen. Deze mensen dachten dat zij elk talent ontbeerden. Zij geloofden dat zij het uitschot van de schepping waren als gevolg van hun veronderstelde inferioriteit. Maar onder hen, de man met de naam Oanyus droeg, zonder het zeker te weten, het antwoord in zich op de vraag die de Meest Hoge gesteld had.
Omdat Oanyus twijfelde, keek hij vaak naar de sterren, in de hoop God te zien. Hij hield van God met een oprechte liefde, maar hij wist niet of dat de echte betekenis van het leven was. Hij wilde zijn antwoord graag geven, maar zijn groep beschouwde hem als zwak van geest en niemand liet hem spreken. Maar God was omnipotent. Hij had de groep klagende mensen gehoord. Maar boven alles, had Hij de liefde en de twijfel in het hart van Oanyus begrepen.
Toen, kwam er een lichtstraal uit de hemel die scheen op Oanyus. Alle schepselen waren verbaasd, en bewonderden het zachte licht, dat de mens bescheen. Ze gingen allen opzij, en lieten hem alleen tegenover het aangezicht van God. Hij aanschouwde zijn verlichte lichaam vol verbazing. Toen wendde hij zich tot de andere leden van zijn groep. Voor de eerste keer in zijn leven zag hij geen minachting in hun ogen, maar respect.
En God vroeg hem: “En jij, mens, heb jij geen antwoord voor Mij? Ik heb hier Mijn hele schepping bijeen gebracht om diegene te ontmoeten die Mij het goede antwoord kan geven op Mijn vraag. Jij kwam en jij gaf geen antwoord. Dan draag Ik u nu op om te antwoorden”. Oane, bang geworden door de strenge toon van zijn schepper, sloeg zijn ogen naar Hem op en zei gehaast: “Maar, Meest Hoge, ik weet niet of mijn antwoord goed is”. En God beval hem: “Zeg het Me en Ik zal je antwoorden!”.
Toen zei Oane: “U maakte het mogelijk dat Uw schepselen zich met elkaar voeden. Zij moeten gaan jagen en doden om in leven te blijven. Op dezelfde wijze moeten zij vechten en hun leven verdedigen. Maar geen enkel is de ultieme sterkste of zwakste. Niemand is altijd hoger of lager dan de anderen. Wij zijn allen gelijk in het leven en we zijn allen Uw nederige dienaars. Want U bent onze schepper.
“Daarom gaf u de meest mooie talenten aan al Uw schepselen. Elk heeft zijn eigen plaats in Uw schepping. Hun talenten maken het hun mogelijk op die plaats te vinden. Dus, er is geen enkel schepsel dat uw voorkeur heeft, Oh Meest Hoge. U houdt van ons allen op een zelfde manier en evenveel en wij allen moeten U daarom liefhebben. Want zonder U, zouden we niet bestaan. U schiep ons, zonder dat U daartoe verplicht was en wij moeten U liefhebben uit dank voor Uw gebaar.”
“Wij zijn natuurlijk verbonden met de materie, onderworpen aan haar wetten, maar ons doel is om naar U te gaan, de Eeuwige Geest en het Perfecte. Daarom, is liefde het doel dat U gaf aan het leven, naar mijn mening”. Toen zei God: “mens, aangezien jij de enige bent die heeft begrepen wat liefde is, maak ik jouw soort tot Mijn kinderen. Aldus weet je dat jullie talent is dat je Mij kunt liefhebben en elkander. De andere soorten kunnen enkel zichzelf liefhebben.”

Deel VIII: De Beslissing

Alle andere schepselen waren verbaasd door de beslissing van God om de mensen tot Zijn kinderen te maken. Zij begrepen de liefde niet en konden daardoor ook niet bevatten dat de Meest Hoge God daar zo’n belang aan hechtte. Ze begonnen onder elkaar te fluisteren, in de hoop dat een van hen deze goddelijke keuze kon uitleggen.
Maar God richtte zijn stem in de richting van de schepselen die niet in staat waren geweest Hem het antwoord te geven. Hij zei tot hen: “Jullie, die Mij niet konden antwoorden, en toch claimden door Mij bevoorrecht te zijn. Jullie geesten zullen niet meer van hogere orde zijn. Zij zullen niet meer naar Mij voeren. Van nu af aan zullen jullie toebehoren aan de mens, jullie natuur zal uitsluitend uit het materiele bestaan. Ik ontneem jullie de taal. Jullie zullen blaten, loeien, grommen. fluiten, miauwen of blaffen, tot het einde der tijden!”
Toen richtte God zijn stem naar het schepsel die de overheersing van de sterken over de zwakken had verkondigd. Hij zei tot hem: “Omdat jij zo zeker bent van je keuze, geef ik je de mogelijkheid het te bewijzen. Jij zult je geest behouden, maar je lichaam zal uit schaduw bestaan. Aldus zul le leven, alleen tussen de mensen, totdat ik je verlos van je leiden. Niemand zal je zien en iemand zal je naam noemen, omdat Ik beslis je niet te zien, noch te noemen.”
God richtte toen zijn stem in de richting van Oanyus en zei tot hem: “Ik heb jouw soort tot Mijn kinderen gemaakt. Ik maak nu uw geesten tot zielen. Zij zijn anders dan de geesten van de andere schepselen en van nu af aan zullen zij de enige zijn van een hogere natuur, en neigen naar Mijn goddelijke perfectie. Ik deel de tijd in zeven delen, die ik dagen noem, zodat op elke zevende dag jullie bijeenkomen om je Vader te eren: Mij.” “Maar het blijft noodzakelijk dat jullie en jullie soort, elke dag werken om jullie soort in stand te houden. Behalve degene die ik niet noem, heb Ik alle schepselen ondergeschikt gemaakt aan jullie. Zo kunnen jullie je voeden met hen, zonder dat zij zich met jullie voeden. Deze mogelijkheid die jullie hebben om je met de andere soorten te voeden, noem Ik “werk”. Maar, opdat jullie nooit vergeten dat dit een geschenk van Mij is aan jullie, voor het goede antwoord dat Oanyus Me gegeven heeft, zal het werk zwaar, moeilijk, pijnigend en vermoeiend zijn. Ben echter niet bedroefd over dit leiden dat ik jullie ten laste leg, in werkelijkheid is het een goede en mooie gave die Ik jullie geef.”
“Opdat jullie in de komende generaties diegene vervangen die hun leven laten, geef Ik jullie een nog mooiere gave. Deze liefde die Ik van jullie verwacht, kunnen jullie ook tegenover elkaar uiten, in paren. Wederzijds tederheid en verlangen zullen de onderdelen zijn van dit pure gevoel, en zo geest en materie tot een geheel mengen. Voortplanting is het ultieme doel. Maar alleen de liefde die Ik heb gezegend zal de vleselijke daad mogelijk maken, zodat de soort blijft voortbestaan in Mijn liefde”.
Daarna maakte God twee sterren boven de wereld. Een uit helder licht noemde Hij “zon”. De ander met een koud schijnsel noemde Hij “maan”. God legde uit aan Oanyus: “Zie toe dat jullie trouw is als de trouw van de kinderen tegenover hun ouders, anders zal Ik zo streng zijn als elke ouder tegenover hun kinderen. Aldus, als iemand van jullie sterft, zal Ik oordelen over zijn geest, aan de hand van het leven dat hij geleden heeft. De zon zal elke dag de wereld overstromen met haar licht, als teken van Mijn liefde voor ijn schepping. Diegene die ik daar heen stuur, zullen leven in eeuwige vreugde. Maar tussen elke dag, neemt de maan het over. Maar diegene die ik daarheen stuur, zullen niets anders kennen dan kwellingen”.

_________________

Bisschop in partibus van Antinoë  *** Ritter Teutoonse Orde
Terug naar boven Go down
Profiel bekijken
 
Boek der Deugden 1. De Schepping
Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven 
Pagina 1 van 1

Permissies van dit forum:Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum
Kerkelijke Provincie Keulen :: Aartsbisdom Keulen :: De Bibliotheek :: Scriptorium-
Ga naar: